Analyse - De zaak Mortier: het EHRM beoordeelt de Belgische euthanasiewet

Auteur / Bron : Gepubliceerd op : Thema : Einde van het leven / Euthanasie en geassisteerde zelfmoord Nieuws Temps de lecture : 5 min.

 Afdrukken

Met het arrest van 22/10/2022 in de zaak Mortier t. België besliste het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat België het recht op leven heeft geschonden van een patiënte die depressief was en in 2012 euthanasie kreeg.

Haar zoon, Dhr. Mortier, bracht de zaak voor het EHRM dat voor het eerst een euthanasiegeval diende te toetsen aan de bepalingen van het gelijknamige Verdrag (EVRM). Tom Mortier voerde aan dat de euthanasie van zijn moeder haar recht op leven (beschermd door artikel 2 van het Verdrag) en op de eerbiediging van haar privé- en gezinsleven (beschermd door artikel 8 van het Verdrag), had geschonden.

Het Hof beoordeelde de voorwaarden die de Belgische wet stelt als niet strijdig met het EVRM. Tegelijk stelde het vast dat de door de wet ingestelde nacontrole van de euthanasiegevallen niet doeltreffend was. De rechters oordeelden daarom unaniem dat België het recht op leven had geschonden omdat de positieve maatregelen die dit recht moeten be­scher­men ontbraken.

 

Het EVRM verleent geen recht op euthanasie, maar staat ze onder voorwaarden toe

Het Hof herinnert aan zijn eerdere rechtspraak: het Verdrag verleent geen recht op hulp bij zelfdoding door een derde of door de Staat (§ 119, in de zaken Pretty t. het VK en Lings tegen Denemarken). De meerderheid van de rechters is evenwel van mening dat het recht op leven, zoals vastgelegd in het Verdrag, op zich de euthanasiepraktijk niet verbiedt (§ 138).

In zijn gedeeltelijk afwijkende mening[1] verklaart rechter Giorgios Serghides zich niet te kunnen scha­ren achter deze evolutieve inter­pretatie.[2] Hij onderlijnt: 'als de opstellers van het Verdrag euthanasie als een uitzonde­rings­bepaling op het recht op leven zouden hebben aanzien, zouden zij die wel (in het verdrag) hebben opgenomen' en besluit dat de opstellers dergelijke uitzondering niet hebben voorzien.

Vervolgens stelt het Hof drie voorwaarden opdat een euthanasie­praktijk die (zoals in België) niet langer strafbaar is verenigbaar kan zijn met de verdrags­bepalingen (§ 141):

1° 'het interne recht én de praktijk dient een wettelijk kader te hebben waarbinnen de handelingen die een euthanasie voorafgaan worden gesteld dat aan de eisen van artikel 2 van het Verdrag voldoet'

2° 'dit wettelijk kader dient bij ieder euthanasiegeval te worden nageleefd'

3° 'en het voorziet in een nacontrole die alle door artikel 2 van het Verdrag vereiste waarborgen biedt'.

 

Het Hof vindt het Belgisch wetgevend kader verenigbaar met het verdrag, ook bij patiënten met een depressie

Een meerderheid van de mensenrechters acht de voor­waar­den die de Belgische wet stelt verenigbaar met het recht op leven. Het Hof neemt in zijn beoordeling ook de bijkomende vereisten mee die de wet stelt wanneer een patiënt, die niet in een levenseindefase is, een euthanasie verzoekt op grond van psychisch lijden (§ 148-153). In dergelijk geval moet wettelijk minstens één maand verlopen tussen het formele verzoek en de uitvoering ervan en moet de arts die ze zal uitvoeren een tweede arts raad­plegen, die onafhankelijk is van zowel de patiënt als van de behandelende arts en deskundig is in de pathologie van de patiënt (§ 151).

 

Het arrest Mortier stelt dat bij de euthanasie het wettelijke kader is gevolgd

Het Hof oordeelt dat in het haar voorgelegde geval de Belgische wet werd nageleefd en het tweede principe dus niet was geschonden. In zijn verzoekschrift vermeldt Dhr. Mortier echter dat zijn moeder de pro-euthanasievereniging LEIF[3] had gedoneerd, waarvan Wim Distelmans, de arts die op haar enkele dagen later euthanasie toepaste, de toenmalige voorzitter was.

De meerderheid van de rechters zag in die schenking van 2.500 euro, a priori en zonder verdere motivering, geen belangenconflict omdat ze was gedaan na het euthanasieverzoek (§ 161).

Evenmin zag het Hof een schending van het onafhankelijkheidbeginsel in het feit dat de twee geraad­pleegde artsen, zoals trouwens Wim Distelmans, allen lid waren van dezelfde militante vereniging LEIF. Veel artsen, zo stelt het Hof, volgden een opleiding bij LEIF 'dat tot doel heeft een waardig levenseinde te verzeke­ren'.

Terecht mogen vraagtekens geplaatst worden over de wijze waarop het Hof een vereniging duidt die openlijk militeert voor de uitbreiding van de Belgische euthanasiewet.

 

De controle achteraf acht het Hof ondoeltreffend en in strijd met het recht op leven van de patiënt

Na criteria 1 en 2 te hebben onderzocht, neemt het Hof het door haar gestelde derde criterium onder de loep over de nacontrole van de uitgevoerde euthanasiegevallen.

Verzoeker Mortier klaagde immers voor het Hof aan dat professor Distelmans, die euthanasie op zijn moeder toepaste, niet alleen ondervoorzitter was van de Federale Controle en evalua­tiecom­mis­sie Euthanasie, maar bovendien ook deelnam aan de vergadering waarop de wet­tigheid van de aangifte die Distelmans ervan deed werd onder­zocht.

Volgens het Hof biedt de 'wettelijk voorziene nacontrole' van de euthanasiegevallen in België onvoldoende waarborgen van onaf­hankelijkheid (§ 178).

Volgens het Hof kan het niet dat de arts aanwezig is wanneer het zgn 'anonieme' luik van zijn euthanasie­aangifte wordt besproken en hij bovendien 'moet zwijgen' (zodat de anonimiteit gewaarborgd blijft).

Als mogelijke oplossing suggereert het hof het aantal commissieleden uit te breiden, zodat de arts, die de euthanasie uitvoerde, niet hoeft deel te nemen aan de vergadering waarop zijn verklaring wordt onderzocht.

Deze suggestie is niet alleen verrassend, maar vooral onwerkbaar, aangezien een aanzienlijk deel van de artsen (die in de controlecommissie zetelen) regelmatig euthanasie uitvoert, wat maakt dat deze artsen zich vrijwel voor elke vergadering zouden dienen terug te trekken.

Het Hof bespreekt dan de twee strafrechtelijke onderzoeken die werden geopend nadat Tom Mortier de wettelijkheid had aangeklaagd van de euthanasie van zijn moeder. Deze kregen pas na respectie­velijk twee en zeven jaar hun beslag. Het Hof kwalificeerde het eerste onderzoek (onder meer wegens de afwezigheid van onderzoeksdaden, wat de Belgische regering ook erkende) als volstrekt onvoldoen­de, het tweede daarentegen als voldoende grondig.

Het Hof besluit dat het gebrek aan onafhankelijkheid van de controlecommissie en de duur van het strafrechtelijk onderzoek, het recht op leven, gewaarborgd door artikel 2 van het EVRM, heeft ge­schon­den (§§ 184-185).

 

Het recht op zelfstandigheid van de moeder krijgt voorrang op het recht van eer­bie­diging van het gezinsleven van de zoon

Verzoeker Tom Mortier argumenteert tenslotte dat België faalde het leven van zijn moeder in bescherming te nemen, zoals artikel 8 van het Verdrag dat het recht op gezinsleven waarborgt, dit voorschrijft.

Omtrent de weigering van Mortiers' moeder haar euthanasieverzoek met hem te bespreken, is het Hof van oordeel dat de staat een afweging kan maken tussen het recht van de moeder om zelfstandig een euthanasiebeslissing te nemen en het recht op gezinsleven en bij die afweging voorrang kan geven aan het eerste recht.

Wel voorziet de Belgische wet niet dat de arts zich ervan moet verzekeren of de patiënt met zijn naasten over een euthanasieverzoek wil praten, tenzij hij of zij dit uitdrukkelijk verzoekt. Het Hof benadrukt dat de artsen Mevrouw Mortier herhaaldelijk voorstelden contact op te nemen met haar kinderen, wat zij niet deed.

Het Hof ziet in het haar voorgelegde geval dus geen schending van artikel 8 EVRM en onderbouwt zijn beslissing onder verwijzing naar het behoud van de vertrouwelijkheid en het medisch geheim (§ 207).

Op dit laatste punt waarschuwen de rechters Serghides en Elósegu in hun 'dissenting opinion' voor een 'zeer individualistische benadering' van het zelfstandigheidsrecht van ieder mens omdat dan abstractie wordt gemaakt van de familie- of vriendschapsbanden en van de impact die een euthanasie erop kan hebben.

 

Besluit: het arrest laat een dubbel gevoel na over de euthanasie­praktijk in België

De zaak Mortier t. België is een eerste beslissing over de euthanasiepraktijk sedert België deze niet meer strafbaar stelt, terwijl steeds meer wetenschappelijke studies wijzen op het gebrek aan een efficiënte nacontrole (zie EIB Nieuwsbrief van 09/02/2021).

Het voorliggende arrest laat een dubbel gevoel na omdat het Hof weliswaar stelt dat de wettelijke voorwaarden voor het uitvoeren van een euthanasie de toets met het EVRM doorstaan, maar anderzijds de nacontrole op de naleving ervan duidelijk tekort schiet.

De aangehaalde tekortkomingen stellen zich immers bij ieder euthanasie­geval, als artsen die regelma­tig euthanasie uitvoeren tegelijk ook lid zijn van de controlecom­missie, wat maakt dat ze mee kunnen beraadslagen en stemmen over de rechtsgeldigheid van de euthanasie die ze zelf uitvoerden.

Hoewel het arrest benadrukt dat het Belgische kader inzake euthanasie niet per se onverenigbaar is met het EVRM, mag het ontbreken van een onpartijdige en doeltreffende controle op de wettig­heid van euthanasie tochsystemisch worden genoemd. Deze vaststelling doet rechter Maria Elósegui in nummer 4 van haar deels 'dis­sen­ting opinion' ertoe besluiten dat de betrokken artsen zich dienen terug te trekken uit de commissievergaderingen die hun aangiftes behandelen.

Het gebrek aan een doeltreffende nacontrole door de evaluatiecommissie die zich bij elk euthanasie­geval stelt, maakt de kritiek op de niet-naleving van de voorwaarden van de Belgische euthanasiewet uiteraard des te pertinenter.

Hoe kan men er immers uit van gaan dat de wet wel degelijk wordt nageleefd, als het Hof zelf tot de vaststelling komt dat de controle achteraf door de controlecommissie en de gerechtelijke auto­riteiten fundamenteel tekortschiet?

In diezelfde zin stelt zich ook de in de medische wereld veelbesproken vraagstelling of een patiënt met een depressief syndroom als ongeneeslijk ziek kan worden beschouwd. Illustratief daarbij is het me­ningsverschil onder de artsen die Mevrouw Mortier jarenlang behandelden en de LEIF-artsen die op haar euthanasie toepasten.


[1] Dit is een zgn 'dessenting opinion', een afwijkende mening waarin een (of meer) rechter(s) toelicht(en) waarom hij of zij sommige motiveringen van het arrest niet bijtreden, alhoewel ze de eindbeslissing voor het overige, in haar globaliteit, onderschrijven. Deze toelichting wordt in de officiële bekend­making steeds integraal opgenomen na de tekst van het arrest.

[2] Volgens deze methode gaat de rechter die een verdragsbepaling moet interpreteren op zoek naar het doel en de geest ervan toen ze is ingevoerd en interpreteert hij deze in de hedendaagse context.

[3] LEIF: LevensEinde InformatieCentrum